Pukkelpop 2011…

19 08 2011

Ik keek er al maanden naar uit, naar die droom-affiche. Drie van mijn muzikale helden, netjes verspreid over drie pukkelpopdagen, daar moest en zou ik bij zijn. Uiteindelijk heb ik geen van de drie gezien, en al te erg vind ik dat niet eens. Eens er doden vallen, wordt alles zeer relatief.

Al van dagen op voorhand was geweten dat donderdagavond onweerachtig zou zijn. Ik heb inmiddels al wel wat festivalregens meegemaakt, dus ik dacht dat het deze keer ook wel zou lukken. Ik had reservekledij voorzien, tot zelfs een extra paar schoenen, maar een poncho had ik nog niet. Pas op het allerlaatste moment, toen ik eigenlijk al onderweg moest zijn naar mijn werk, kon ik er nog ergens eentje kopen. ‘Zo, nu ben ik voorzien voor pukkelpop 2011′, dacht ik.

Ik moest ‘s woensdags nog tot middernacht werken, maar ik zou daarna, zoals ik dat bij Rock Werchter ook had gedaan, direct doorrijden naar het festivalterrein. Ik moest nog wat gezelschap oppikken aan Brussel Noord, en rond een uur’s nachts konden we daar met een bomvolle auto vertrekken. Rond drie uur ‘s nachts kwamen we aan op een van de parkings, na een veel te lange rit richting Kiewit – ik reed compleet verloren bij het verlaten van Brussel.

De eerste wandeling richting camping bestaat naar goede gewoonte uit het meezeulen van de tent. ‘De rest, daar komen we later nog wel eens om’, ondertussen toch voldoende gerief meenemende, zodat die later nog wel eens kan beperkt worden tot één wandeling. Geen overbodige luxe, dat beperken tot één wandeling, want we installeerden onze tenten uiteindelijk helemaal achteraan op de camping. Wie een degelijke campingplaats wil hebben, moet vroeg, of laat komen, maar niet tussenin, zoals wij, midden in de nacht, want dan ben je eraan voor de moeite. Al bij al viel onze plaats toch nog mee, want we stonden een eindje verwijderd van lawaaierige buren en vervelende lichtspots.

Rond vijf uur ‘s nachts stonden de tenten recht en was het tijd voor enkele uren slaap. Door luid overleggend securitypersoneel, waren die paar uurtjes nachtrust echter niet al te diep. Rond elf uur ‘s voormiddags stonden we dan maar weer op, tijd voor die tweede wandeling heen en terug naar de auto. Het was warm en zonnig en zweetdruppels volgden elkaar in ijltempo op. Iets voorbij het middaguur was alles en iedereen aanwezig in ons tentencirkeltje. Een stevige spaghetti als middagmaal, en dan naar de weide. Ik stak mijn poncho in een van mijn broekzakken, want die avond zou het gaan regenen.

Omdat er geen al te grote interesse was in de spelende groepen, bestonden de eerste uurtjes op de festivalweide uit verkennende wandelingetjes en vanuit de verte enkele liedjes van diverse groepen meepikken. Ik liet me met plezier natspuiten door talrijke waterpistooltjes en was maar wat blij toen compagnon Jannes zijn gewonnen Win For Life-petje aanbood. De wens naar een verfrissende bui was niet veraf.

De drie laatste groepen op Main Stage waren onze favorieten. Omdat Skunk Anansie altijd een spektakel is, zakten we al voor haar optreden af naar het podium. De groep voor Skin en de haren was zelfs nog bezig, maar dat wist ons niet te boeien, zo bewees een stevige dut.

Lui en languit op de grond lagen we te wachten tot Skunk Anansie zou beginnen. Hoe zouden we de rest van de avond aanpakken? Tijdens of na Skunk Anansie een frietje eten en dan stilaan naar voor, om zeker bij de Foo Fighters helemaal vooraan te staan? Het was tenslotte van januari 2006 geleden dat ze nog in’t land waren, en de mensen kennen mij – en compagnon Jannes – niet voor niks als superfan(s). Ergens tussendoor wou ik ook nog een sanitaire stop ingelasten, want ik ben niet iemand die het met een volle blaas uren in een mensenmassa uithoudt.

Skunk Anansie begon te spelen, en omdat het stevig bleek te rocken, veerden Jannes en ik recht. Pukkelpop 2011 was bij deze voor ons pas echt van start gegaan. Nu nog dat beloofde onweer doorstaan en dan wachten op de headliner. Op de smartphone keken we naar de buienradar, maar daarop bleek de neerslag boven ons land reuze mee te vallen.

Na enkele liedjes begon de luchtkleur in de verte te veranderen. Onheilspellende donkerte. ‘Daar is het onweer’, begonnen we alvast te zuchten. Gelukkig hadden we onze regenbescherming bij. We keken nog eens op de buienradar, en daarop zagen we inderdaad enkele buiten. ‘Enkele stevige buien en hopelijk droog tegen het begin van de Foo Fighters’, kruisten we onze vingers.

Naarmate het concert vorderde, werd de onweerslucht donkerder, dreigender en leek het onheil steeds minder veraf. We (rode bol) bevonden ons op de weide voor de Main Stage, ergens halverwege tussen de bomenrij en de ijzeren dranghekken (rode lijn) die het publiek middendoor deelden. Rechts van ons was de lucht groengrijs, achter ons donkerblauw.

Kaartje

De eerste druppels vielen omstreeks 18 uur op de weide. Rap de poncho aan en even de buien doorstaan. Veel regenen deed het echter niet. De lucht was donker, het bliksemde in de nabijheid, maar de neerslag bleef grotendeels uit. Na enkele minuten werd het zelfs even opnieuw volledig droog. ‘Was dat het dan?’ Ik vond het zelfs even niet meer nodig om mijn poncho aan te houden.

De droogtevreugde was echter van korte duur. Nauwelijks enkele minuten later begon het opnieuw te regenen. ‘En nu serieus’, moet men daarboven gedacht hebben. De sluizen gingen volledig open en de poncho kon niet rap genoeg rond mij zitten.

Jannes en ik stonden nog steeds halverwege tussen de bomen en de dranghekken. Het goot liters, en we vroegen ons af of we niet moesten gaan schuilen. Dat deden we echter niet, want we waren voorzien van regenkledij, en dat kon niet van iedereen gezegd worden – de schuilplaatsen waren voor hen.

In een eerste fase was het balen. We stonden daar maar wat te staan in de gietende regen, voelende hoe onze schoenen en onderbenen in een mum van tijd doorweekt geraakten. ‘Dat het maar vlug voorbij is’, klaagden we.

In een tweede fase volgde gelatenheid. Lijdzaam ondergingen we ons nat lot. ‘Zie ons hier nu staan! Twee verzopen soepkiekens bijeen!’, en we lachten wat met elkaar. Omstaanders leek het ook niet al te veel te deren. Sommigen dansten nog net zo hard, of zelfs harder, op de muziek die Skunk Anansie, zelf heel wat podiumnattigheid trotserende, bleef spelen. Voor steeds meer mensen bleek het echter onaangenaam te worden, dus steeds meer mensen gingen op zoek naar schulplaats.

Na enkele minuten brak fase drie echter aan, en dat was een fase van paniek en akeligheid. Het begon ineens heel hard te waaien, en we voelden vanalles op onze ruggen neerkletteren. Als we achter ons keken, zagen we dat uit de bomenrij achter ons heel wat fijne en minder fijne takjes aan het loskomen waren, die vervolgens op de mensenzee geblazen werden. De hele omgeving was donkergroengrijs geworden en het begon harder en harder te regenen.

Jannes en ik keken nog enkele keren naar elkaar en begrepen van elkaar al snel dat geen van beiden wist wat ‘ie moest doen. Het begon steeds harder te waaien en de loskomende takken werden steeds groter.

Ineens voelden we een heel ander soort getik op ons lichaam: het begon te hagelen. Hagelbollen ter grootte van een knikker werden met de nog steeds briesende windvlagen over het publiek gestrooid. Op dat moment kwam een oerinstinct naar boven. Het werd ieder voor zich.

Ik vluchtte voorwaarts, weg voor de neerkomende takken, inmiddels met mijn voeten tot aan de enkels in het water. Jannes zag ik nergens meer, en achterom kijken om hem te zoeken, was onmogelijk door takken en hagelbollen die kwamen aangevlogen.

Er stond ergens een tiental mensen opeengepakt onder een zeil. Me daar nog onder wurmen was onmogelijk, maar ik ging er zo dicht mogelijk naast staan, en hurkte neer, in de hoop op die manier toch een klein beetje beschut te zitten tegen de projectielen. Het hielp niet echt.

Het water bleef stijgen, dus ik liep nog enkele meters verder naar voor om op de stalen steunvoeten van de dranghekken te geraken. Ook daar hurkte ik mij neer, met mijn rug richting bomen en onheil. Ik probeerde mezelf zo klein mogelijk te maken, om zo weinig mogelijk oppervlakte te hebben waar takken en hagelbollen op zouden kunnen terechtkomen.

Schuilen

Minutenlang heb ik daar zo gezeten, midden in een ware apocalyps. Er zat niks anders op dan de pijn te doorstaan en te hopen dat de hagelbollen niet veel groter zou worden. Ik had mijn oordoppen nog in en ik leek wel in een kokon te zitten. Ieder voor zich en ik voor mezelf. Ik hoopte dat iedereen die ik er kende, ongedeerd was, maar besefte inmiddels maar al te goed dat er op dat moment slachtoffers vielen.

Na enkele minuten klaarde het op. De hagel was verdwenen, de wind ging liggen en het regende nog zachtjes na. Maar ook daar kwam spoedig een einde aan. Ik richtte me op en kon voor het eerst de schade opmeten. In de verte zag ik dat er een metershoge metalen stelling met een HUMO-vlag omvergewaaid. Bijna de hele weide stond onder minstens vijf centimeter water.

Humo

Ik keek rechts achter mij en zag dat de proximus-stand gedeeltelijk was bezweken onder een zware tak. Ik ging even kijken en zag dat er zich nog heel wat mensen ongedeerd in de stand bevonden. Ik ging er nog even vanuit dat de menselijke schade beperkt was gebleven.

Proximus

Ik probeerde mensen te bereiken, maar dat was verre van vanzelfsprekend. Aan mijn compagnie liet ik weten dat ik oké was en ik vroeg hen naar een stand van zaken. Aan het thuisfront liet ik weten dat ik ongedeerd was, en dat men mij van nieuws op de hoogte mocht houden.

Ik zag dat er nog relatief weinig volk op de weide aanwezig was, en wou van die gelegenheid gebruik maken. Ik haastte me naar de toiletten en zou nadien zo dicht mogelijk voor het hoofdpodium gaan staan – de Foo Fighters zouden die avond immers nog spelen.

Aangekomen bij de toiletten, schrok ik van de schade. Er lag een halve boom dwars over de ingang van de toilettenhoek, en ik werd met mijn neus op de realiteit gedrukt. ‘Als hier iemand liep, heeft die het niet overleefd’, dacht ik, en van mijn relativering van enkele minuten eerder was geen spoor meer te bekennen. Op dat moment hoorde ik bovendien ook ‘uit de weg!’ schreeuwen, waarna er iemand door vier helpers per brancard het terrein uitgedragen werd.

Toiletten

Ik ging naar een toilet en rende daarna richting Main Stage, deels in ijdele hoop dat er nog iets te zien zou zijn, deels om mezelf geïnformeerd te krijgen. Ik stuurde al mijn kennissen een sms om te zeggen waar ik stond en stelde alle sms’ers gerust die me vroegen of ik ongedeerd was.

Ik was spoedig op de hoogte van de whereabouts van iedereen. Jannes zou me komen opzoeken, en slaagde daar iets later ook in, Remko was ongedeerd en stond bij een voedselkraam, en Tom en de zijnen gingen naar de camping om daar de schade op te meten.

Jannes en ik verbleven de komende uren op nog geen tien meter van het hoofdpodium, dichter dan we in goede omstandigheden wellicht ooit waren geraakt. Op officiële verklaringen was het heel lang wachten. Na zo’n anderhalf uur kwam Luc Janssen voor het eerst op het podium met een mededeling die ons eigenlijk niks wijzer maakte. Het thuisfront hield ons veel beter op de hoogte, al dat het met variërende informatie. Het drama was inmiddels op alle televisiezenders te zien.

De eerste berichten over doden kwamen toe. Alles werd relatief. We zouden topgroepen missen, maar we waren tenminste ongedeerd. Van de organisatie kregen we lange tijd niet meer dan een beker soep, al was dat natuurlijk welgekomen, nat en verkleumd zijnde.

Ergens tussendoor kreeg ik van Tom het veelzeggende bericht ‘we hebben geen tent meer’. Dat was slikken. Had ik nog wat waardevols in de tent liggen? Enkel mijn autosleutels, de rest had ik op zak. Toen me gemeld werd dat die teruggevonden waren, was ik gerustgesteld. Wat konden mij mijn luchtmatras, slaapzak en eetvoorraad nog schelen?

Na een eerste mededeling dat er misschien nog wat zou komen op het hoofdpodium, kwam de tweede mededeling: alles voor donderdag was afgelast. We konden aan onze toch richting camping beginnen. Het miezerde nog af en toe, maar veel deerde dat niet, aangezien we toch al tot onze enkels in het water en in de modder wegzonken.

Op onze aftocht aanschouwden we hallucinante taferelen. Bomen waren afgebroken, takken lagen overal, tenten waren ingestort, stellingen lagen omver, overal lag water en modder, enzovoort. Het was een inferno, en we mochten dankbaar zijn dat we ongedeerd waren, heel wat anderen hadden minder geluk gehad.

Boom

Vlaggen

Na een lange en vermoeiende wandeling richting de tent, konden we inderdaad niks anders doen dan vaststellen dat die inderdaad naar de vaantjes was. Ter plaatse blijven was die nacht niet echt een optie meer. Het plan om de avond zelf nog naar Gent terug te keren, werd op dat moment definitief. Nog even in de ruïne duiken, op zoek naar gerief dat nog te recupereren was, en we konden opnieuw de tocht richting auto aanvatten.

Voor Jannes was het nog een tijd zoeken naar zijn jongere broer, maar ook die bleek oké. Tom was duidelijk aangeslagen, maar zou de nacht wel nog op de camping doorbrengen, in een tent van buren die naar huis waren gegaan. Ik ging er op dat moment nog van uit dat vrijdag en zaterdag nog wel zouden doorgaan, en overweegde dan ook om die dagen nog terug te keren. Maar op dat moment wou ik naar huis, even weg van alle miserie.

De wandeling naar de auto was lang, traag en moeizaam. Ik kocht mij onderweg nog een hamburger en propte die naar binnen. In de verte zag ik het opnieuw bliksemen en ik hoopte nog voor de tweede laag in mijn auto te zitten, maar dat lukte niet. De laatste honderden meters, in looppas, waren opnieuw in de gietende regen.

Iets voor een uur ‘s nachts zaten Jannes, zijn broer, een vriend en ikzelf eindelijk in de auto. De toch naar Gent kon eindelijk beginnen. Rond half drie kwam ik toe bij Julie, en zelden was het weerzien zo hartelijk. Ik kroop onder de lakens om uren nadien wakker te worden met een aantal sms’en die me informeerden dat het volledige festival afgelast was.

Wat een muzikale droom had moeten worden, is op een nachtmerrie uitgedraaid. ‘Chaos’, ‘paniek’ en ‘ramp’ zijn woorden die niet ten onrechte gebruikt werden in de media. Ik hoop dat ik zoiets nooit meer hoef mee te maken, want het was op bepaalde ogenblikken zeer eng.

Bij deze ook van mij via deze weg een steunbetuiging naar de slachtoffers.





#RW11

1 07 2011

Ik ben het grondig oneens met mijn werkgever. Ik ging gisteren voor één dag naar naar Rock Werchter 2011 en één van mijn vaststellingen is dat de reporter lang niet altijd gelijk heeft.

Woensdag moest ik nog werken, opnieuw de late shift. Iets over middernacht kon ik vertrekken richting Brussel Noord om daar mijn Werchtercompagnie op te pikken. Rond half drie ‘s nachts kwamen we aan en rond zeven uur waren we geïnstalleerd en uitgeladen. Het was mijn zevende keer Rock Werchter en mijn tiende festival in totaal. Jammergenoeg kon ik deze keer maar één dag gaan, en was het dus geen grootschalige viering. Alhoewel…

Een belangrijke reden voor het eendagsbezoek, was de affiche. De namen van vrijdag tot zondag konden me niet genoeg overhalen om er het nodige geld voor uit mijn portefuille te graaien. Het geld voor donderdag werd echter met veel plezier gestort. Absolute toppers zouden Queens of the Stone Age en Linkin Park zijn, maar de dag bood nog wel wat meer.

Rond half drie betraden mijn compagnie en ikzelf het terrein. Nog een half uurtje tijd om even rond te lopen en bonnetjes te kopen. Daar hadden we echter blijkbaar meer dan een half uur voor nodig, want toen we ergens in een uithoek bij een kraampje stonden, weerklonk de start van Rock Werchter 2011 op de Main Stage. Wij daarheen, maar dat was verloren moeite. Halfweg het tweede liedje van OFWGKTA – enkele uren verkeerdelijk betiteld als ‘diene groep met een Q in’ – kon het toeschouwen beginnen, maar het duurde niet lang alvorens de algemene indruk gezet was: What. The. Hell. We braken ons hoofd over de waaromvraag van deze act en bedachten een behoorlijk plausibele verklaring: al het geld was naar de grote acts gegaan en op het einde had men nog slechts €50,- over, wat blijkbaar genoeg was voor deze clowns. Underground hip hop? Blijf maar underground, jongens.

De tweede artiest was gelukkig al direct iemand naar wie ik uitkeek: Seasick Steve. Twee jaar geleden, kort nadat ik hem en zijn levensverhaal leerde kennen, had ik hem al eens op het zelfde podium bezig gezien en ook nu wist ik het optreden zeer te smaken. Hem niet sympathiek vinden, gaat gewoon niet, en eenieder met een hart voor blues vindt Seasick Steve geslaagd. Bovendien had hij niemand minder dan John Paul Jones mee als gelegenheidsbassist, wat het optreden uiteraard meer goed dan kwaad deed.

The Hives waren als derde aan de beurt. Jammergenoeg liep hun optreden parallel met de eerste regenbuien. Ze waren behoorlijk goed, maar ook niet meer dan dat. Het zal wel aan het weer gelegen hebben, en aan het feit dat ik ze nu al enkele keren gezien heb en enkele van hun albums grijs gedraaid heb, maar het is tijd voor meer vernieuwing dan enkel de garderobe.

Voor de Hollandse rockchick Anouk was de hemel opnieuw opgeklaard. Ik keek vooral uit naar het gitaarwerk van de leadgitarist, want die man kan ongelofelijk goed spelen. Laat het echter net hij zijn die me een beetje teleurstelde. Hij speelde goed, dat wel, maar het bovenmenselijke niveau dat ik van hem gewoon ben, werd niet benaderd. Desalniettemin was het een goed optreden. Ik ben niet beschaamd om te zeggen dat ik Anouk wel smaken kan – en dan heb ik het over de muziek.

Voor mijn eerste hoogtepunt, Queens of the Stone Age, stonden we alvast flink vooraan, enkele platgedrukte ledematen om de voorste barricade door te geraken ten spijt. Voor dit optreden heeft de reporter het wel bij het rechte eind. Een steengoed en typisch QotSA-optreden, meer valt daar niet over te zeggen. Behalve misschien dat de honger naar nieuw werk nu inderdaad wel erg groot begint te worden.

En dan was het aan de act waar ik al heel lang naar uitgekeken had. Veel landgenoten, trouwens, want het was van 2001 geleden dat ze hier speelden: Linkin Park. Ik vind dus dat de reporter hier foute dingen schrijft, en wel hierom: er waren maar weinig “mindere” momenten, en da’s dan nog een kwestie van smaak. Voor mij persoonlijk was dat hun nieuwste werk of enkele experimentele, elektronische interludes. De algemene sfeer tijdens het optreden was geweldig. Het publiek sprong, danste en zong zo hard het kon, net als ik, wat mijn stembanden zullen beamen. De interactie met het publiek was eveneens geslaagd, met bijvoorbeeld excuses voor de lange afwezigheid en een minutenlang afscheids- en bedankmoment. Er werden heel wat hits gespeeld en dat werd in dank aanvaard. Deze clowns, beste reporter, zijn stuk voor stuk uitmuntend in wat ze doen, en dat u na afloop van het optreden toe was aan sterke drank, zegt wellicht meer over u dan over het optreden. Al is uw mening u gegund, want het is ten slotte allemaal een kwestie van smaak.

Omdat het direct na afloop van Linkin Park opnieuw wat begon te regenen, lieten we het optreden van The Chemical Brothers, van wie ik sowieso niet echt fan ben, links liggen. Die twee liedjes die ik nog wel te pruimen vind, hoor ik nog wel eens op de radio.

Het waren 76 goed geïnvesteerde euro’s. Een blinkende Main Stage, aangevuld met een leuk weerzien met enkele long-time-no-see‘ers, heel wat ongezond eten en simpele klap, bezorgden mij een leuke donderdag. Het enige wat ik echt wel nog jammer vind, is dat ik Iron Maiden zal missen. Hopen dat die oude rotten nog een paar jaar meegaan en nog eens ons landje bezoeken. Triggerfinger zie ik binnenkort, Kaiser Chiefs, Kings of Leon en My Chemical Romance heb ik al gezien, en voor andere groepen vond ik het gewoon te veel geld, of ik ben er gewoon niet echt fan van.





Petmans

31 05 2011

Ik ben verre van de sociaalste, dat weet nagenoeg iedereen. Een licht ontwijkingsgedrag is me dus niet vreemd. Julie is een pak socialer, dat is ook algemeen geweten. In onze straat woont echter iemand die ertoe in staat is ontwijkingsgedrag te doen verschijnen bij mensen die nog veel socialer zijn dan Julie en ik tezamen. Petmans heet ‘ie. ‘t Is te zeggen, zo noemen Julie en ik hem. Geen ouder doet het zijn kind aan officieel als Petmans door het leven te moeten. Wat ze hem wel aangedaan hebben, is nog maar de vraag, maar “niks” zal alvast het antwoord niet zijn.

Ooit hebben we een deel van Petmans zijn naam geweten, maar Petmans bekte veel lekkerder, dus het is Petmans gebleven. Waarom? Het is een man, en hij draagt een pet.

Het is gewoon onmogelijk om in deze straat te wonen en Petmans niet te kennen. Vroeg of laat klampt hij je aan, vroeg of laat sta je ermee te praten, of je dat nu wilt of niet. Onze eerste aanvaring met Petmans moet ergens begin dit schooljaar geweest zijn. Ik zocht parkeerplaats, en er was er nog eentje beschikbaar in onze straat. Petmans stond naast de plaats in kwestie, maar daar wou ik me niet echt iets van aantrekken. Toen hij merkte dat ik aanstalten maakte om de plaats in te nemen, begon hij druk te gesticuleren. Ik deed mijn deur open en werd voor het eerst aangesproken door Petmans. Onlogische en semi-onverstaanbare – Petmans praat een beetje raar – argumenten kwamen mijn richting uit, en omdat ik schrik begon te krijgen – Petmans ziet er een beetje eigenaardig uit – ging ik dan maar elders een parkeerplaats zoeken.

Als ik Petmans gedurende de weken die volgden, passeerde, probeerde ik hem telkens mentaal dood te bliksemen, maar dat oogstte niet veel succes. Voor de rest hadden we er echter niet al te veel last van, op enkele opmerkingen – “ge parkeert u beter niet in dienen berm, de flikken komen regelmatig dikke boetes geven!” – na. Het was een luxeleven, alleen beseften we dat toen nog niet.

Er kwam eind december echter een einde aan dat luxeleven, toen een intellectueel grondig achtergestelde had besloten om iets te hard tegen mijn autoraam te leunen. Petmans, toen nog “een waakzame buurman”, had op een onmenselijk vroeg uur gezien dat mijn auto beschadigd was, had de politie verwittigd, en was er uren als een bewaker bij gebleven. Hij steeg enorm in mijn achting, en na enkele dagen rees bij Julie en mij het idee om Petmans, bij wijze van bedankje, van een cadeaumand te voorzien. Hadden we dat maar niet gedaan.

De komende maanden hadden we sporadisch een korte babbel met Petmans. Af en toe kwam hij wel wat opdringerig over, maar “ach, die mens heeft anders niks te doen, mensen aanspreken is zijn leven”. Het was echter wel bij elke babbel een strijd om niet te lang naar zijn mond te kijken. Die ziet er namelijk uit alsof er een herhaling van de Tweede Indochinese Oorlog in plaatsvond, en moet er voor tandartsen uitzien als de Mount Everest voor astmapatiënten. En hij stottert ook. Niet dat ik daarom mensen veroordeel, maar Petmans doet het op een manier die zodanig uniek is, dat het volledig toegestaan is hem er volwaardig irritant door te vinden.

Naarmate de weken en maanden evolueerden, werd zijn opdringerigheid steeds irritanter. Hij moest en zou je elke keer hij dat kon, aanspreken, zelfs al had hij helemaal niks te vertellen. Meestal zei hij dan dat hij de straat opnieuw had gespaard van een of ander onheil. En dan zat je in een conversatie met Petmans, iets waar je moeilijker uit geraakte dan een sumoworstelaar uit een Mini Cooper. Als je aan het stappen was, stapte hij gewoon met je mee, bij wijze van spreken tot nog voorbij de drempel van je voordeur. Als je stil stond, of je stopte even, dan leek het alsof je zonder benzine gevallen was: jezelf opnieuw in beweging krijgen, was onmogelijk.

Petmans’ opdringerigheid zorgt er tegenwoordig voor dat Julie en ik diep zuchten als we onze straat naderen en hem zien staan. Want dat is het enige dat hij schijnt te doen: op straat staan. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat hij een job heeft. Misschien heeft dat te maken met een of ander obscuur verleden, want zo iemand kan gewoon geen normale geschiedenis gekend hebben. Het enige geluk dat we kunnen hebben, naast zijn – onwaarschijnlijke – afwezigheid, is dat hij iemand anders gaat aanklampen. Je voelt je dan als een gazelle in de steppe, die ziet hoe het kwade roofdier zich op een van je soortgenoten stort, medelijden voelend voor het subject, alsook opluchting dat jij het niet bent, docht wetend dat jou binnenkort het zelfde lot te beurt valt.

We zijn nu al enkele keren voorbij onze straat gereden, hoewel er parkeerplaats te over was, omdat we Petmans in zijn deurgat zagen staan loeren. Het is voor ons stilaan aangenamer geworden om verder te gaan parkeren en via een omweg naar het kot te wandelen, dan om aangeklampt te worden door Petmans. De celebrity-truuk – gsm aan het oor; “ik ben aan het bellen, ik ben niet aanspreekbaar” – hebben Julie en ik inmiddels ook al af en toe gebruikt, maar het zou me niet verbazen moest hij zich daar binnenkort niks meer van aantrekken.

Als we volgend schooljaar zouden moeten verhuizen, zie ik het afscheid van Petmans alvast als een serieus pluspunt. Hoewel ik hem ergens nog steeds dankbaar ben voor zijn hulp in december, wens ik er nog zo weinig mogelijk contact mee. Niet alleen omdat hij mij steeds meer schrik aanjaagt, zowel qua uiterlijk als qua persoonlijkheid, maar ook omdat hij het tegenwoordig maar niet kan laten om commentaar te geven op mijn bolide: “precies maar nen halven otto meer!”. Over je brokkelmond zullen we maar zwijgen zeker, Petmans?





Peugeootje

17 05 2011

Als je de deuren van mijn auto opent of dicht doet, hoor je een geluid dat een kruising zou kunnen zijn tussen het geluid dat hyena’s maken tijdens de daad des liefdes, en het geluid van een school stokoude eekhoorns die luid krijsend door een pletwals getrokken wordt. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat je een halve bodybuilder moet zijn om sommige deuren überhaupt in beweging te krijgen.

Boven het rechter voorwiel bevindt zich een niet te missen deuk, die ik door een aansprakelijkheidsgeschil niet kosteloos kon laten herstellen. De ander is in fout, laat dat echter geweten zijn. Die deuk, en al de omliggende carrosserie, zorgen bij elke vluchtheuvel voor een akelig schuurgeluid dat je doet vermoeden dat de volgende vluchtheuvel er wel eens te veel aan zou kunnen zijn.

Ook helemaal vooraan is het koetswerk verwrongen, deels door mijn eigen schuld, deels door die van een ander. Ik heb reeds meermaals mijn vingers gesneden aan de scherpe uitsteeksels rond de voorste nummerplaat.

Boven de achterste nummerplaat, op mijn koffer, plakken twee stickers. Niet alleen zou een foto ervan perfect naast de definitie van “gebrek aan symmetrie” passen, een van de stickers is inmiddels al zodanig afgebleekt, dat hij stickers uit het interbellum het gevoel geeft modern te zijn.

De bedrading is evenmin in orde. Al van toen ik de auto kocht, kwam er geen geluid uit de speaker links vooraan. Ik vroeg ooit eens aan een garagist hoeveel het zou kosten om dat opnieuw in orde te brengen, maar toen hij me zei dat zulke herstellingen meer zouden kosten dan de waarde van de wagen – en toen was hij nog wel wat waard, heb ik het maar zo gelaten.

De toerenteller voldoet aan het stereotiep van le Wallon paresseux: werkt met moeite de helft van de tijd, en als hij al werkt, is het vaak aan halve kracht of met zeer frequente onderbrekingen.

Het shotgunraam heeft het ergens tussen het tweede en het derde jaar dat ik mijn auto had, begeven. Even kon je dat raam nog met wat manuele hulp in beweging krijgen, maar dat heeft niet lang geduurd. Zwetende passagiers moeten het sindsdien doen met mijn raam, het dakraampje, en de ramen aan de achterbank.

Over het feit dat mijn auto vaak vuiler is dan de Overpoort op vrijdagochtend, wil ik het zelfs niet hebben. Daarnaast duurt het een eeuwigheid voor er een gezellig warme of aangenaam frisse temperatuur hangt. Ten slotte valt het terecht met wenkbrauwgefrons te onthalen dat ik er de voorbije twee jaar veel meer kosten aan gehad heb dan de auto waard is. Dat dat in de toekomst zal gaan veranderen, is bovendien eerder onwaarschijnlijk.

Maar ik hou van mijn wagentje, van mijn peugeootje. We hebben al zo veel meegemaakt en hij bewijst z’n nut bijna dagelijks. Ik beleefde er al zo veel plezier mee en in tijden van nood was hij er ook steeds voor mij. En voor anderen, want zovelen hebben reeds in het nut en genot gedeeld. Ik blijf er sowieso mee rijden, zo lang de kosten niet absurd hoog worden – en dat is een rekbaar begrip. Binnen enkele jaren zal er echter een noodgedwongen afscheid ons te beurt vallen, en dat zal pijnlijk zijn. Maar zo ver zijn we nog niet. Nog lange niet.





Dank, o onbekende voorvader

29 01 2011

Als ik iemand anders zie schrijven, krijg ik steevast ook de goesting om dat te doen. Lezen wat iemand anders geschreven heeft, welteverstaan. Degelijk schrijven, dat wel, want bij een onsamenhangend woordengekluts, blijft de goesting onverstoorbaar in een diepe slaap. Ik hou van geschrijf. Ik hou ervan om geschrijf te lezen, zoals ik er ook van hou om zelf de pen ter hand te nemen.

Hoewel ik geen boekenworm ben, denk ik wat dat betreft ooit nog open te bloeien. Het raakt immers kant noch wal dat iemand die beweert graag te lezen en te schrijven, zelden boeken ter hand neemt. Het is een kwestie van afwachten, denk ik.

Dat ik zelf graag schrijf, en af en toe van mezelf durf beweren dat ik daar een zekere bewonderenswaardige vaardigheid toe heb, heeft wellicht historische oorzaken. Ik draag namelijk reeds vierentwintig jaar een familienaam die verbastert wat ooit voor “schrijver” stond. Ooit eigende iemand die wellicht goed schrijven kon, zich de naam “De Clercq” toe. Zijn gave werd langsheen generaties doorgegeven, en belandde uiteindelijk bij ondergetekende. Ik dank u, o onbekende voorvader.

Misschien wordt het maar eens tijd dat ik er wat mee doe. Een boek schrijven is misschien voorlopig wat ambitieus, zeker als je in rekening brengt dat ik er zelf nauwelijks lees, maar zeg nooit nooit. Ik moet misschien maar eens beginnen met het schrijven van kortverhalen. Veel van bovenstaand besproken schrijfgoesting, komt namelijk van zulke verhalen. Verhalen van mensen die iets meemaken, of zelfs helemaal niet, en er dan hun fantasie over laten vloeien. Aangezien ik reeds herhaaldelijk aan de wereld bewees een rijke fantasie te hebben, lijkt de kortverhalenpiste op het eerste gezicht aantrekkelijk. Of ik kan proberen mijn schrijfliefde te verzoenen met mijn andere liefde: muziek. Vaak, doch niet altijd, vind ik een lied namelijk onvolledig zonder tekst. Het durft echter al eens te gebeuren dat een ondermaatse tekst het lied volledig naar beneden haalt. Helaas. Ik denk dus dat ik mij eens op het liedjestekstschrijven ga storten. Ononderbroken pen en papier op zak, en hup, de wijde wereld in.

Beste wijde wereld, zet u schrap voor de jongste generatie De Clercq.





Protected: Voornemens voor 2011

2 01 2011

This post is password protected. To view it please enter your password below:





Autokundige tegenslag

29 12 2010

Ik denk dat ik mij maar eens een fiets koop. De misère die met een auto gepaard kan gaan, begint me zo stilaan de keel uit te hangen. Misère die meestal ook tijd en geld kost, natuurlijk. Het relaas van drie autokundige tegenslagen op anderhalve week tijd:

eins

Zaterdagavond, ruim voorbij 21u, bellen twee politieagenten aan bij het ouderlijk huis. Blijkbaar had iemand klacht tegen mijn auto ingediend omdat die de avond voordien, zogezegd, diens auto beschadigd had (geramd bij het parkeren, zeg maar). Mijn pa belt mij op, want ik was bij Julie in Gent, en brengt mij op de hoogte. Ik weet van niks en ga eens kijken naar mijn wagen. Niks bijzonders te zien, enkel schade die er al was. Ruim voorbij 22u word ik nog eens persoonlijk gebeld door de politie, maar omdat ik mijn gsm toen niet bij me had, hoor ik op mijn voicemail de vraag om terug te bellen. Rond 23u bel ik terug, maar blijkbaar is de nachtshift inmiddels aan de slag gegaan, en heeft daarvan niemand enig benul van de “aanrijding” waar ik voor bel. “Ze zull’n eu nog wel keer bell’n als ze eu echt noodig ‘ebb’n”, en ik ga slapen.

‘s Zondags bevind ik me in het ouderlijk huis, wanneer er ineens twee agenten, met combi en alles, aanbellen. Het zelfde verhaal: iemand heeft klacht neergelegd omdat mijn auto zogezegd de zijne / hare geramd zou hebben. Ik ga met de agenten naar mijn auto kijken en leg vervolgens een verklaring af. Ik weerhoud mij nog net van een “misschien heeft hij / zij mij wel geramd, en probeert hij / zij de schuld in mijn schoenen te steken!”, en zie de agenten een dik half uur later vertrekken, om er wellicht nooit meer iets van te horen. Ach ja, ik weet nu tenminste hoe het voelt om in een combi te zitten, al keek de buurman behoorlijk fronsend mijn richting uit.

zwei

Woensdag was een dag vol (deadline)stress geweest, maar alles was goed afgelopen, en Julie en ik waren op weg naar het tankstation, om daarna, na een korte stop bij McDonald’s, van een welverdiende rustige avond te genieten. Helaas besloot een rotonde daar anders over. Volledig in mijn recht draaide ik een rondje, als daar ineens een oudere man, ver voorbij de zestig en met een gekrompen importbruid op de passagiersstoel naast hem, een voorrang van rechts denkt te mogen nemen. Neen, meneer: verkeer op een rotonde heeft al-tijd voorrang. Ik probeer nog uit te wijken, maar we raken elkaar.

Behoorlijk geënerveerd stap ik uit om hem te bekogelen met een “HAWEL?! VOORRANG OP EEN ROTONDE.. NOG NOOIT VAN GEHOORD?!”. Nihil reactie. We beginnen beiden een aanrijdingsformulier in te vullen en Julie krijgt ei zo na medelijden met de heer. Gelukkig, en terecht, verdween dat medelijden als we merken dat hij de schuld op mij probeert te steken. “Ik bevond mij al 20 meter op de rotonde!”, liegt hij. In onenigheid nemen we afscheid, ik verstuur het formulier naar Ethias, en wacht voorlopig op antwoord. Julie en ik besloten om onszelf te troosten met een gevorderd McDonald’s-bezoekje en er alsnog een welverdiende rustige avond van te maken.

drei

Deze nacht en ochtend vervolledigen het drieluik. Om 8u loopt Julie’s wekker af. “Amai, 9 gemiste oproepen!”, zegt ze ineens. We proberen naar het weergegeven nummer terug te bellen, maar we krijgen geen respons. Tien minuten later krijg ik een sms van mijn vader: “bel mij zo rap mogelijk”. Ik bel dadelijk terug. “Er is ingebroken in uw auto!”. Ik schrik mij kapot. Ik vloek een halve woordenboek vol na een eerste blik op mijn auto vanop het terras. Een politieagent en een waakzame buurman staan beiden naast mijn auto, bij dewelke ik een ingeslagen zijruit zie. Julie en ik vloeken de andere helft van de woordenboek vol en ik haast mij naar beneden. Ik begroet beide heren en kijk naar de bezittingen die nog in de auto lagen. Niks blijkt verdwenen… Heel raar, maar een enorm pak van ons hart, aangezien er flink wat waardevols te rapen viel. De agent had alvast naar Carglass gebeld, en tijdens het afleggen van mijn verklaring, herstelt iemand mijn raam, op de koop toe kosteloos, met plexiglas. Ik bedank de agent en de buurman, en ga met een behoorlijk gerustgesteld hart – het had veel erger kunnen zijn – ontbijten.

Wat mij nu nog rest, is het opruimen van de vele glasscherven die zich nog op mijn achterbank bevinden. Vrijdag heb ik een afspraak met Carglass om een nieuw raam te laten steken. Het kostenplaatje valt behoorlijk mee, maar ik begin zo stilaan de indruk te krijgen dat het altijd wel iets is met dat monster op vier wielen van mij. Bovendien zal ik, hoewel ik dat in eerste instantie niet van plan was, alsnog naar de garage moeten gaan om de rotonde-schade te laten herstellen. Zucht. Ik denk dat ik mij maar eens een fiets koop.





Murphy’s birtday-week

28 08 2010

Het was meer dan tien jaar geleden dat ik nog op een paard had gezeten. Bovendien was ik de laatste twee keren, toen ik probeerde te galopperen, gevallen, en mijn goesting was daarmee verdwenen. Voor Julie wilde ik het echter nog wel eens proberen: zij is paardenliefhebster en zou op 24 augustus haar twintigste verjaardag vieren. Ik plande, al begon ik daar behoorlijk laat mee, dat wij op die dag met z’n tweeën een ritje te paard aan zee zouden maken. Omdat kunnen galopperen vereist is, zocht ik halsoverkop naar iemand die me dat op zeer korte termijn kon aanleren. Gelukkig vond ik bij mijn nicht Hanneke zo iemand. Bovendien draag je best een bepaalde uitrusting voor zo’n rit, en ik zocht eveneens naar mensen die me die konden leveren. Vanuit diverse windstreken verzamelde ik het nodige, dus de avond van 23 augustus kon ik goed voorbereid en met een auto vol gerief van Laarne naar Zelzate rijden, naar Julie, die nog geen idee had van de verrassing.

Maar toen besloot Murphy helaas te ontwaken en de zorgvuldig uitgestippelde planning lichtjes bij te sturen. Op weg naar Zelzate stond ik op de kruising van de John Kennedylaan met de Langerbruggestraat voor een rood licht. Toen dat op groen sprong, hield mijn auto het voor bekeken. Ik trapte los door de koppelingspedaal en kon niks anders doen dan blijven staan waar ik stond. De auto’s rond mij vertrokken, sommigen hevig toeterend, en in de verre achtergrond zag ik de volgende lading auto’s naderen. Ik moest direct denken aan twee voorbeelden waarbij mensen die ik kende serieus aangereden werden aan een stoplicht. Niet goed wetend wat gedaan, zette ik mijn vier pinkers aan en trapte als een bezetene op mijn rempedaal. Blijkbaar viel dat genoeg op om door elke aanstormende auto ontweken te worden, uiteraard mits een tweede lading hevig getoeter. Zodra het licht opnieuw op rood sprong, stapte ik uit mijn auto en duwde ik mijn auto vanaf het midden van de rijbaan rechts de berm in. Wat nu?

Ik belde herhaaldelijk naar Julie en mijn vader en er werd een oplossing gevonden: Jordy, de vriend van Julie’s zus, samen met Julie en de zus in kwestie, zou mij komen halen om naar Zelzate terug te keren, en mijn vader zou er de volgende dag voor zorgen dat mijn auto naar de garage getakeld werd. Maar we moesten de volgende dag natuurlijk ook nog naar zee geraken, en daar hadden hadden we nu geen auto meer voor. We wouden gebruik maken van de auto van Julie’s moeder, want zij was toch op reis, maar omdat Julie’s andere zus daar plannen mee had, viel dit niet makkelijk te regelen. Uiteindelijk kregen we iedereen toch zo ver om ons die auto toe te vertrouwen. Het was ten slotte Julie’s verjaardag en iedereen, behalve Julie, wist wat ik van plan was. De stress en ellende leken verleden tijd. Jordy was naar het kruispunt gekomen, alle benodigdheden werden in zijn auto overgeladen, we reden naar Zelzate, we keken naar Titanic en gingen ver voorbij middernacht slapen. Dat Julie’s oorspronkelijke plan, om op haar verjaardag nog tot 15u30 te studeren, niet meer door zou gaan, daar leek niemand wat om te geven.

En zo werd Julie 20. We maakten er een rustige dag van en bereidden ons voor op wat voor Julie nog steeds een verrassing was. Ik slaagde er tussendoor in om een klein sierparapluutje met een verjaardagskaarsje in brand te steken, maar voor de rest werden we in Zelzate van onheil gespaard. Natuurlijk moesten we enkele uren later het veilige Zelzate verlaten om op tijd bij De Drie Vijvers te geraken.

Rond half vijf vertrokken we met de auto van Julie’s moeder richting een voor Julie nog steeds onbekende locatie. Om er te geraken, moesten we echter tanken, dus we stopten iets voorbij Gent aan een tankstation. Omdat geen van ons beiden wist welke brandstof er in de tank moest, besloten we dat, als er geen aanduiding op de tankdop stond, we naar iemand zouden bellen die het wel wist. Omdat we echter afgeleid werden door een treuzelchauffeur die ons onnodig lang de weg versperde, vergaten we beiden om dit te doen. Omdat ik vond dat de auto zeer gemakkelijk reed – zoals een diesel dat doet, zo dacht ik – en uit pure gewoonte, tankte ik voor 20 euro diesel.

93 kilometer en een rit vol ambiance en nietszeggende hints over het cadeau later, namen we afslag 1, Adinkerke, van de E40. Vertragend op de afrit in kwestie, viel de motor uit. We bolden nog net de afslag af en omdat ik de auto niet meer aan de praat kreeg, bevond ik me kort nadien, voor de tweede keer in nog geen vierentwintig uur, in de berm met een kapotte auto. Fronsend keken we naar het dashboard. Het olielampje brandde, maar verder waren er geen aanwijzingen. Omdat ik helemaal niet wist wat ik zou kunnen doen, belden we naar Julie’s moeder. Door het uitgebreide gevloek aan de andere kant van de lijn, te horen toen we mededeelden dat we diesel getankt hadden, wisten we direct waar het fout gegaan was: de auto reed op benzine.

Daar stonden we dan, in een van de verste uithoeken van ons land, op nog geen 3 kilometer van onze eindbestemming, met een auto die niet meer kon starten en heel weinig tijd om nog naar de manege te geraken. Alle voorbereidingen leken voor niets, Julie’s verjaardag leek verpest, en ik had bovendien twee auto’s op twee dagen naar de knoppen geholpen. Het werd mij allemaal wat teveel.

Toen ik na vijf minuutjes terug mens begon te worden, besloot ik de verrassing te verklappen. Ik haalde een tok uit de koffer, zette die op m’n hoofd en een lach verscheen op Julie’s gezicht. Toen ik mijn planning en voorbereidingen uitlegde, zei ze dat de moeite op zich, en de aangename dag die we tot dusver al gehad hadden, reeds een zeer mooi verjaardagscadeau waren geweest. Ik kon opnieuw tegen een stootje.

Maar we stonden daar nog steeds, in de berm van een Adinkerkse autoweg. Ik belde naar de manege om alles uit te leggen, en Julie belde heen en weer tussen haar moeder en Touring. Plan A, om ons door Touring naar de dichtstbijzijnde garage te laten slepen en onze auto daar te laten herstellen, noch plan B, om bij Touring van polis te veranderen en alles door hun te laten oplossen, noch plan C, om iemand die we kenden met een trekhaak naar Adinkerke te laten afzakken en ons weg te takelen, gingen door. Plan A en B waren veel te duur en we vonden niemand om plan C te laten doorgaan. Omdat het instellen en vervolgens afgelasten van die plannen flink wat tijd in beslag namen, verscheen er ineens een Touring-takelwagen, die we eigenlijk reeds hadden afgebeld, inclusief garagist/chauffeur. Na een korte babbel kwamen we tot een compromis die voor iedereen het voordeligst was: de Touring-man zou de auto toch wegtakelen, naar zijn garage brengen, en alles tegen de volgende middag herstellen.

De Touring-man stelde voor dat Julie en ik ergens een hotelkamer boekten en de volgende dag met een herstelde auto terug naar huis zouden keren. Omdat er de volgende dag echter gewerkt en gestudeerd moest worden, wilden we diezelfde dag nog naar huis geraken. Ik zou de volgende dag, na mijn werk, met het openbaar vervoer om de auto komen. Omdat we op nog geen drie kilometer van de manege gestrand waren, gingen we er heen nog heen wandelen. Zo zouden we toch nog enkele paarden zien, en wie weet konden we nog een ritje versieren. De wandeling naar de manege bleek echter veel langer te duren dan gepland en uiteindelijk stapten we meer dan een uur, bovendien met felle tegenwind. Rond kwart voor acht arriveerden we eindelijk, en toen we ons eerste drankje aan het nuttigen waren, kwamen de ruiters terug van hun wandeling. “Dat hebben jullie gemist!”, grapte iemand, maar zo grappig vonden wij dat niet. Evenmin konden we ons nog een ritje versieren. We baalden.

Na te bekomen van een heenreis van ruim drie uur, werd het tijd om onze terugreis geregeld te krijgen. Julie’s ouders wouden we niet op kilometers jagen, omdat zij net meer dan vijfhonderd kilometer gereden hadden om van hun reis terug te keren. Toen we mijn ouders belden, waren er om onduidelijke redenen diverse bezwaren. Dan maar met het openbaar vervoer? Onze laatste trein vanuit De Panne zouden we missen, en om die vanuit Oostende te halen, moesten we ruim 70 euro neertellen voor een taxi, waarna we de trein ook nog zouden moeten betalen. Een taxi naar Gent of Zelzate was al helemaal absurd, want die zou ons meer dan 150 euro kosten. We moesten even ontstressen en aten een lekkere avondmaaltijd. Ik gaf Julie vervolgens haar tweede cadeau’tje, een ring die ze zeer mooi vond, en daarna maakten we nog een wandeling tussen de paarden die op stal stonden. Nadien, zo rond half tien, belden we nogmaals naar mijn ouders om te zeggen waar het op stond, en iets later stemden ze dan uiteindelijk toch in om ons te komen halen.

Wachtend op mijn vader, raakten we aan de praat met de aanwezigen, die stuk voor stuk medelijden hadden met onze situatie. Julie verzekerde mij, toen ik weer eens neerslachtig begon te doen over hoe alles in de soep gedraaid geraakt was, dat ze het toch een leuke verjaardag had gevonden, en dat monterde me op. Toen mijn vader iets over elf eindelijk de weg naar de manege gevonden had, konden we richting Gent vertrekken.

We moesten wel nog uitzoeken hoe ik de komende dag naar mijn werk en naar de garage van de Touring-man zou geraken, maar omdat ik mijn laptop in mijn auto was vergeten, konden we dat niet zelf doen. We sukkelden met gsm-internet en sms’ten heen en weer met de eeuwige hulp in dit soort internetloze noodsituaties: Schmam! Iets over middernacht kon Julie’s verjaardag afgesloten worden en was hopelijk ook alle miserie die roet in het eten had gegooid voorbij.

De volgende ochtend werd ik om negen uur wakker, het uur waarop ik naar mijn werk wou vertrekken. Overslapen. Shit. Bliksemsnel en zonder te ontbijten maakte ik mij klaar, en enkele minuten later haastte ik mij richting openbaar vervoer. Gelukkig miste ik tram noch bus, en kwam ik mooi op tijd aan in Oostakker. Omdat ik ook mijn zak met kleren in mijn auto had laten staan, stond ik daar echter zonder Quick-t-shirt. Gelukkig had de verantwoordelijke van dienst net de was gedaan, en kon ik met een t-shirt van de zaak aan de slag. Jammergenoeg bewees een chaotische werkdag vervolgens dat nog niet alle stress en miserie verleden tijd was. Evenmin deed mijn bijna-platte gsm-batterij dat, vermits ik nog herhaaldelijk met de West-Vlaamse garage moest kunnen bellen om af te spreken waar en hoe ik de auto zou ophalen.

Na mijn werk en na het herhaaldelijk herzien van de plannen, kon de tocht richting Poperinge aanvangen. Niet minder dan twee en een half uur was ik met bus en trein onderweg. Een uiterst saaie rit, daar ik muziek noch lectuur bij had. Aan stress echter geen gebrek: ik moest iedereen op de hoogte houden van mijn reilen en zeilen, en dat met een zo goed als lege gsm-batterij. Gelukkig verscheen er in Poperinge een lichtpuntje: de vrouw van de sympathieke garagist stond me op te wachten met de auto die ik daags voordien naar de knoppen had geholpen. Een ritje naar de garage zelf, een uiterst voordelige betaling en een babbel later, kon ik naar Zelzate vertrekken.

De garagist had niet veel benzine in de tank gedaan, maar ik moest dan maar eens tanken op de terugweg, liefst met de juiste brandstof deze keer. Ik besloot daarmee te wachten tot ik op de autostrade was, maar eens op die autostrade was het extreem lang wachten tot er een tankstation in zicht kwam. Op de duur moet ik zowat uitsluitend op benzinedampen gereden hebben, en het angstzweet brak me uit. Niet nog meer miserie! Maar gelukkig redde een plaatselijke Q8 zo goed als bij het laatste benzinedampje mijn vel. Bovendien kreeg ik telefoon van mijn garage: mijn auto was ook klaar. Ze hadden hem echter nog niet kunnen testen, want daarvoor hadden ze de originele sleutel, die ik bij me had, nodig, en niet de kopie die zij hadden. Ik moest er de volgende dag maar eens om komen. Dan zouden ze een testrit maken, waarna ik zeer waarschijnlijk met mijn auto naar huis zou kunnen. Het kwartiertje file op de terugweg nam ik er met de glimlach bij.

Ik haalde Julie op in Gent en samen reden we naar Zelzate. Daar was mijn tankvergissing onderwerp van enkele grapjes en voor de rest beleefden we er enkele gezellige uren die de miserie deden vergeten. Ondertussen hadden er zich echter enkele regenwolken boven Oost-Vlaanderen genesteld, en toen we die avond nog naar Gent terugkeerden, was dat in de striemende regen.

Dat Julie vervolgens een behoorlijk slapeloze nacht beleefde, zal haar er vanaf nu van weerhouden nog eens een red bull te drinken voor het slapengaan. Bovendien moesten we onmenselijk vroeg opstaan, en omdat onze middagdut voor Julie evenmin succesvol was, beleefde Julie niet veel lol aan deze 26e augustus. Rond half vier ging ik naar de garage om mijn auto op te halen, maar daar vertelden ze mij droogjes dat hij helemaal nog niet klaar was. De volgende dag waarschijnlijk. Omdat mijn vader mij dus moest voeren naar mijn werk, was ik daar veel te vroeg. Het was een aangename werkdag, maar met lede ogen aanschouwde ik hoe liters regen de straten vulden die ik later die avond met het openbaar vervoer moest doorkruisen.

Enkele uren later vond je me eenzaam in een bushokje, schuilend voor de uit de hemel vallende, spreekwoordelijke oude wijven, wachtend op een van de weinige bussen die op dat uur nog reden. Na heen en weer geslingerd te worden in de bus naar Gent Zuid, wachtte mij daar het zelfde lot: schuilend voor de regen op een volgende bus staan wachten, dit keer met een oudere, seniele dame die onverstaanbaar enkele anekdotes mijn richting uitsprak. Na een lange en natte rit, was ik eindelijk bij Julie geraakt. Omdat ik nog steeds geen auto had, moesten wij ook nog met het openbaar vervoer, nog steeds in de striemende regen, naar haar kot geraken. Ergernis alom, en die werd er niet minder op toen we opnieuw aan Gent Zuid arriveerden en merkten dat de laatste trams en bussen reeds gepasseerd waren. We werden voor de keuze gesteld om meer dan een half uur te wachten op de “avondbus”, of om een kostelijke taxi te nemen. Omwille van de uitzonderlijkheid van de situatie, kozen we voor het tweede.

Nat en vermoeid kwamen we toe en konden we gaan slapen, hopend dat we vanaf nu van verder onheil gespaard zouden blijven. De volgende dag probeerde ik een tweede keer mijn auto op te halen en moest Julie haar eerste herexamen gaan afleggen. Beide gebeurtenissen gebeurden zo goed als volgens plan, en ik kon om vijf uur beginnen werken. Tijdens mijn pauze vernam ik echter dat Julie zich helemaal niet zo goed voelde en dat ze naar huis zou gaan. Toen ik me na mijn werk naar Zelzate gehaast had, voelde ze zich gelukkig al een stuk beter.

We spendeerden de nacht in Zelzate, en gingen de volgende dag naar Oostakker: ik om te werken, Julie om te studeren. Beide gebeurtenissen gebeurden succesvol, en rond drie uur trokken we verder naar Gent. Dat ik mijn autosleutel net niet in een rioolputje liet vallen, was voorlopig het laatste moment van (bijna-)ellende. Laten we dan nu gezamelijk hopen dat we nooit meer zo’n week moeten doorlopen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.